Huisonderwijs: sinds het begin van de 21ste eeuw in de lift, maar de Vlaamse decreetgever stippelt de lijnen uit!

De vrijheid van onderwijsJ
ohan Lievens (Leuven Centre for Public Law (KU Leuven), Universitair Docent aan VU Amsterdam) ging in het kader van zijn doctoraatsonderzoek na in welke mate de grondwettelijk gewaarborgde vrijheid van onderwijs 
beperkingen oplegt aan de Vlaamse decreetgever wanneer die regulerend optreedt ten aanzien van het onderwijs (De vrijheid van onderwijs, 2019, ISBN 978-94-000-1053-6).

Pascale Van Houtte (uitgever Intersentia) vroeg de auteur om een bijkomende toelichting bij de specifieke problematiek van het huisonderwijs, omdat die, in tegenstelling tot wat velen denken, in de lift zit.


1. Een Duits gezin gaat in beroep bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens om te verkrijgen dat hun kinderen huisonderwijs zouden kunnen volgen (De Standaard van 11 april 2019). Is dit een situatie die ook in Vlaanderen mogelijk is?

In concreto gaat het hier om een Duits christelijk-evangelisch gezin dat een herziening wil van zijn zaak door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens opdat de vier kinderen toch huisonderwijs zouden mogen volgen. Op 10 januari 2019 besliste het Hof dat de Duitse Staat het recht heeft te verbieden om kinderen thuis les te geven. De Duitse autoriteiten mochten de ouders daartoe zelfs tijdelijk het ouderlijk gezag ontnemen. Maar Duitsland is een van de weinige Europese landen waar er een letterlijke ‘schoolplicht’ bestaat. In België kennen we slechts ‘leerplicht’, waardoor het ook mogelijk is om thuis onderwijs te volgen. Die leerplicht en de vrijheid van onderwijs maken dat de situatie in Vlaanderen erg verschilt van die in Duitsland.

2. U spreekt in uw boek niet van ‘thuisonderwijs’, maar van ‘huisonderwijs’. Waarom die term en hoe is de situatie in Vlaanderen?

Vooreerst moet duidelijk gesteld worden dat de vrijheid van onderwijs, zoals verankerd in artikel 24 van de Grondwet, niet alleen geldt voor het gesubsidieerd en gefinancierd onderwijs, maar ook voor het huisonderwijs. Dat is de term die ook door de Vlaamse decreetgever gebruikt wordt. Het concept omvat zowel individueel als collectief huisonderwijs.

Met individueel huisonderwijs, of huisonderwijs sensu stricto, wordt gedoeld op de situatie waarbij kinderen op individuele of gezinsbasis worden onderwezen, vaak in hun eigen huis onder begeleiding van een ouder of familielid. Collectief huisonderwijs is in wezen geen ‘huisonderwijs’ in de letterlijke zin van het woord, maar wordt zo genoemd omdat het onder hetzelfde juridische regime valt als het individueel huisonderwijs: het betreft het onderwijs in niet-gesubsidieerde privéscholen.

Daarnaast zijn er nog verschillende tussenvormen denkbaar, bijvoorbeeld een aantal ouders die zich verenigen om samen of afwisselend in te staan voor het onderwijs van de kinderen.

Naast door een eigen juridisch kader, onderscheiden deze vormen van onderwijs zich ook van het reguliere onderwijs doordat ze in beginsel zelf worden bekostigd door de ouders of door de personen die de minderjarige leerling in rechte of in feite onder hun bewaring hebben.

3. In ons land is er dus geen ‘schoolplicht’, maar een ‘leerplicht’. Is de Vlaamse wetgever exclusief bevoegd voor deze materie?

In tegenstelling tot Duitsland is er in België nooit een schoolplicht ingevoerd. Bewust wordt de term leerplicht gehanteerd, die ook niet-schoolse vormen van onderwijs omvat, waaronder het huisonderwijs.

En die leerplicht heeft een bijzondere positie in het Belgische constitutionele bestel: de bevoegdheid voor onderwijs – anders dan de verschillende culturele en persoonsgebonden bevoegdheden die in de Bijzondere Wet op de Hervorming der Instellingen zijn opgesomd – is in de Grondwet zelf aan de gemeenschappen overgedragen. De duur van de leerplicht is één van de drie in de Grondwet opgenomen uitzonderingen op die bevoegdheidsoverdracht. Daarvoor blijft de federale overheid bevoegd. De Vlaamse decreetgever is onbevoegd om de wettelijke bepalingen met betrekking tot de duur van de leerplicht zelfs maar te bevestigen of te herhalen, laat staan ze te wijzigen, nader te specificeren of ze al dan niet toepasbaar te verklaren. Hoewel er al jaren politieke consensus bestond over het verlagen van de leerplicht, is pas vorige maand een federale wet aangenomen waarin die verlaging effectief wordt doorgevoerd (naar 5 jaar). De Vlaamse decreetgever kan daarentegen wel maatregelen nemen met betrekking tot de inhoud van het leerplichtonderwijs of de controle op de leerplicht!

4. Hoe controleert Vlaanderen het huisonderwijs?

De vrijheid van onderwijs


Het huisonderwijs werd binnen de Vlaamse Gemeenschap voor het eerst geregeld in het Onderwijsdecreet XIV van 14 februari 2003 en nadien in 2013, door het Onderwijsdecreet XXIII.

De Vlaamse decreetgever opteert voor een tweeledig controlemechanisme, waarbij de inspectiecontrole op het huisonderwijs gecombineerd wordt met de verplichting deel te nemen aan en te slagen voor examens van de centrale examencommissie. De mosterd voor dit systeem werd gehaald bij de Franse Gemeenschap, waar enkele jaren eerder een gelijklopend dubbel controlesysteem was ingevoerd.

Ouders die opteren voor huisonderwijs werden in 2013 bovendien verplicht uiterlijk op de derde schooldag van het schooljaar een uitgebreide verklaring van huisonderwijs in te dienen. Daardoor was het niet meer mogelijk om op een moment naar keuze tijdens het schooljaar naar huisonderwijs over te stappen vanuit het reguliere onderwijs. Die verklaring van huisonderwijs is een soort leerplan light, waarmee ouders uitgebreid moeten aangeven hoe ze het huisonderwijs vormgeven.

In 2016 is dit systeem wel weer licht bijgestuurd: voor organisatoren van collectief huisonderwijs in privéscholen bleek de verplichting om voor elk kind afzonderlijk een verklaring op te maken een grote administratieve last. Sommige privéscholen voorzagen daarom al in een gezamenlijke aangifte voor alle leerlingen die er onderwijs volgden. Het Onderwijsdecreet XXVI (2016) voorzag daarvoor dus ook in een decretale basis.

5. Waren er geen pogingen om zich te verzetten tegen die inmenging van de Vlaamse decreetgever?

Tegen de decreten van zowel de Franse Gemeenschap als de Vlaamse Gemeenschap werden beroepen tot vernietiging ingesteld bij het Grondwettelijk Hof, maar die waren maar beperkt succesvol. In mijn boek ga ik hier uitvoerig op in. Kort samengevat is het evenwel zo dat de essentie van de controlemechanismen overeind bleef en dat met eenvoudige decretale ingrepen de gesignaleerde ongrondwettigheid vrij snel door beide decreetgevers werd verholpen.

Maar toch blijft het opvallend dat het Grondwettelijk Hof geen (bredere) schending van de onderwijsvrijheid of van het gelijkheidsbeginsel vaststelde. Zo leggen bijvoorbeeld de ingevoerde controlemechanismen de individuele leerling die huisonderwijs volgt, onmiskenbaar een individuele resultaatsverbintenis op, terwijl een even ingrijpende vrijheidsbeperking in het reguliere onderwijs onbestaande is (en in vraag gesteld zou kunnen worden vanuit de vrijheid van onderwijs).

6. Waarom zijn de arresten van het Grondwettelijk Hof inzake huisonderwijs zo belangrijk?

De arresten inzake huisonderwijs zijn om twee redenen belangrijk. Allereerst was de relatie tussen de onderwijsvrijheid en het huisonderwijs tot dan toe slechts in beperkte mate voorwerp van debat geweest. Het Grondwettelijk Hof maakt nu duidelijk dat de vrijheid van onderwijs zoals ze doorheen de Belgische onderwijsgeschiedenis is gegroeid, ook op het huisonderwijs kan worden toegepast. Ten tweede hebben de huisonderwijszaken het potentieel dat grondwettelijk raamwerk stevig door elkaar te schudden. Hoewel de controle op het huisonderwijs slechts een uitermate beperkte (zij het groeiende) groep leerlingen betreft, herbergt de goedkeuring ervan door het Grondwettelijk Hof een drastische ommekeer wat de betekenis van de vrijheid van onderwijs – de draagwijdte en de grenzen ervan – betreft.

7. In het laatste deel van uw boek bespreekt u na uw analyse van het ‘huisonderwijs’ ook een drietal casestudies; waarom deze casestudies?

De centrale vraag van dit boek – hoe ver de overheid mag (en moet) gaan in het reguleren van de inhoud en methode van het onderwijs – heb ik willen bespreken in het licht van drie casestudies.

Het boek wil immers niet alleen kritisch graven in de evoluties uit het verleden, in het bijzonder in de rechtspraak, het wil ook een houvast bieden bij discussies in het heden en de toekomst waarin het juridische en grondrechtelijke discours een meerwaarde kan bieden om de grenzen van het mogelijke aan te geven.

De drie casestudies waarop met die ambitie in het achterhoofd wordt ingegaan, zijn:

1) de hervorming van het secundair onderwijs en de nieuwe generatie onderwijsdoelen, die geleidelijk aan worden uitgerold vanaf september 2019;

2) de mogelijke invoering van centrale examens;

3) de inperking van de vrijheid van het levensbeschouwelijk onderricht.