FONDS MEDISCHE ONGEVALLEN: EEN COMPLETE MISLUKKING?

 

 

Eind 2018 stond het Fonds voor Medische Ongevallen (FMO) weer volop in de (negatieve) belangstelling, met als belangrijkste verwijt dat het er niet in slaagt
om te adviseren binnen de (utopische) wettelijk voorziene termijn van zes maanden. Het Fonds, dat zes jaar geleden werd opgericht om slachtoffers van
medische ongevallen bij te staan en te vergoeden, heeft onvoldoende expertise in huis om de dossiers op een snelle manier af te handelen. Volgens bepaalde
media zouden ziekenfondsen patiënten zelfs aanraden om naar de rechtbank te trekken in plaats van een beroep te doen op het FMO.


Oorzaken traagheid

De traagheid van het FMO heeft enerzijds te maken met enkele organisatorische problemen (bv. ICT, aanwerving van personeel, aanstelling van experts).
Anderzijds kampt het fonds ook met een historische achterstand. Het FMO is bevoegd voor schadeverwekkende feiten die zich hebben voorgedaan vanaf 2
april 2010, maar kon maar van start gaan op 1 september 2012. Men was destijds immers bezig met een wereldrecordpoging regeringsvormen, waardoor het
uitvoeringsbesluit tot oprichting van het FMO lang op zich liet wachten. Los daarvan is het logisch dat een nieuw systeem kinderziektes vertoont, en het enige
tijd vergt om de juiste evenwichten te vinden.

De wet bevat echter ook een belangrijk ‘systemisch’ onevenwicht. De belangrijk-ste vergoedingsvoorwaarde waarvoor het FMO moet tussenkomen doet zich
voor als het heeft geadviseerd dat de zorgverlener aansprakelijk is, maar (de aansprakelijkheidsverzekeraar van) de zorgverlener dat betwist. Het FMO komt in
dat geval enkel tussen als de schade die de patiënt leed, valt onder een van de vier ernstcriteria: overlijden, een blijvende invaliditeit van minstens 25%, een
tijdelijke arbeidsongeschiktheid van zes maanden in een periode van maximaal één jaar of een bijzonder zware verstoring van de levensomstandigheden.

Uit de jaarverslagen van het FMO is af te leiden dat zo meer dan de helft van de patiënten alsnog naar de rechtbank moet voor een schadevergoeding van de
zorgverlener, terwijl het Fonds meent dat de zorgverlener aansprakelijk is. Dat maakt niet enkel dat de patiënt (nog) langer moet wachten op een
schadevergoeding, maar ook dat het aantal gerechtelijke procedures toeneemt.


Oplossing: artsen én patiënten laten bijdragen

Om in de toekomst niet nog meer patiënten teleur te stellen, is het mijns inziens noodzakelijk dat het FMO kan tussenkomen ongeacht de ernst van de schade
als het oordeelt dat de zorgverlener aansprakelijk is, maar de verzekeraar van laatstgenoemde dat betwist.

Men zou echter nog een stap verder kunnen gaan, en evolueren naar een werkelijk no-fault-vergoedingssysteem, zoals bijvoorbeeld in de Scandinavische
landen en Nieuw-Zeeland. Deze landen kozen ervoor om de aansprakelijkheid van de zorgverlener niet meer te beoordelen als de patiënt tracht een
schadevergoeding te verkrijgen via het aldaar geldende buitengerechtelijke vergoedingssysteem. De vergoedingsvoorwaarden zijn vergelijkbaar met de al
bestaande om te oordelen of er sprake is van een medisch ongeval zonder aansprakelijkheid (MOZA).

Wanneer de aansprakelijkheid van de zorgverlener niet meer hoeft te worden beoordeeld, is er meer ruimte voor openheid vanwege de zorgverlener naar de
patiënt. Deze grotere openheid, in combinatie met het feit dat er geen discussie meer nodig is over de aansprakelijkheid, kan ertoe leiden dat de alternatieve
vergoedingsprocedure daadwerkelijk sneller verloopt dan een gerechtelijke procedure.

Dit hoeft trouwens niet noodzakelijk te leiden tot een uitgavenstijging van de sociale zekerheid. Enerzijds kan men ervoor opteren om de kosten hiervan
(gedeeltelijk) ten laste van de zorgverleners te leggen door hen te verplichten hieraan bij te dragen. Anderzijds is het gerechtvaardigd om, bij wijze van ‘trade of
door de snellere procedure, de schadevergoeding van de patiënt te beperken tot een bepaald percentage van de geleden schade.

Een dergelijk ‘public-private partnership’ ten voordele van de ‘witte vrede’ zou trouwens niet nieuw zijn in België. Men denkt bijvoorbeeld aan de regeling voor
arbeidsongevallen en beroepsziektes die, algemeen gesproken, naar behoren functioneert.

Wannes Buelens
 

  

HET MEDISCH ONGEVAL ZONDER AANSPRAKELIJKHEID

Laureaat tweejaarlijkse prijs A. Prims voor het gezondheidsrecht 2019

Wannes Buelens
maart 2019 | ISBN 978-94-000-0382-8
xxvi + 552 blz. | gebonden | 160 euro



   > bestel deze uitgave