Bedrieglijk onvermogen

De artikelen 7 en 8 van de Belgische Hypotheekwet vormen een van de basisbeginselen van het Belgische privaat vermogensrecht en poneren de regel dat het vermogen van de schuldenaar als onderpand voor zijn schuldeisers fungeert. Op welk deel van het vermogen de schuldeiser precies zal kunnen uitvoeren, wordt bepaald op het ogenblik waarop hij effectief overgaat tot executie.

Zolang een schuldeiser niet overgaat tot tenuitvoerlegging, blijft een schuldenaar beschikkingsbevoegd om zijn vermogen te beheren en kan de samenstelling van dat vermogen wijzigingen ondergaan. In dit boek wordt onderzocht in hoeverre een schuldeiser kan overgaan tot gedwongen tenuitvoerlegging wanneer hij geconfronteerd wordt met een geval van bedrieglijk onvermogen.

Auteur(s):
Shana Meys
boek | verschenen | 1e editie
oktober 2019 | xxiii + 829 blz.

Hardback
€ 175,-


ISBN 9789400010802

Inhoud

De artikelen 7 en 8 van de Belgische Hypotheekwet vormen een van de basisbeginselen van het Belgische privaat vermogensrecht en poneren de regel dat het vermogen van de schuldenaar als onderpand voor zijn schuldeisers fungeert. Op welk deel van het vermogen de schuldeiser precies zal kunnen uitvoeren, wordt bepaald op het ogenblik waarop hij effectief overgaat tot executie.

Zolang een schuldeiser niet overgaat tot tenuitvoerlegging, blijft een schuldenaar beschikkingsbevoegd om zijn vermogen te beheren en kan de samenstelling van dat vermogen wijzigingen ondergaan. Schuldenaars die er weinig voor voelen om hun schuldeisers te betalen, beschikken zo over de mogelijkheid om het onderpand van hun schuldeisers volledig uit te hollen.

In dit boek wordt onderzocht in hoeverre een schuldeiser kan overgaan tot gedwongen tenuitvoerlegging wanneer hij geconfronteerd wordt met een geval van bedrieglijk onvermogen. Twee aspecten staan hierbij centraal. In de eerste plaats veronderstelt een efficiënte uitvoering dat een schuldeiser zich kan wenden tot een uitvoeringsorgaan dat over voldoende onderzoeksbevoegdheden beschikt om het vermogen van de schuldenaar te kunnen lokaliseren en de samenstelling ervan te kunnen bepalen. Een schuldeiser moet met andere woorden toegang hebben tot patrimoniale informatie. In de tweede plaats moet de wetgever ook een aantal middelen ter beschikking stellen voor het geval waarin de schuldenaar zich onvermogend heeft gemaakt. Beide aspecten mogen bovendien niet los van elkaar worden gezien. Inzage in het vermogen kan de kans op handhaving doen toenemen, maar omgekeerd kan een goede opsporing de handhaving minder noodzakelijk maken.

Hoofdstukken

Inhoud (p. 0)

Inleiding (p. 1)

Deel I. Het recht op tenuitvoerlegging van de schuldeiser op het vermogen van de schuldenaar

Hoofdstuk I. Het recht op tenuitvoerlegging op het vermogen van de schuldenaar volgens de artikele 7 en 8 Hyp.W. (p. 25)

Hoofdstuk II. Modulering van het verhaalsrecht van de schuldeiser (p. 45)

Hoofdstuk III. Moduleren van de beschikkingsbevoegdheid via een negatieve zekerheid (p. 57)

Deelbesluit (p. 61)

Deel II. Civielrechtelijke en strafrechtelijke beteugeling van het bedrieglijk onvermogen

Hoofdstuk I. Pauliaanse vordering (p. 63)

Hoofdstuk II. Zijdelingse vordering (p. 235)

Hoofdstuk III. Veinzing (p. 313)

Hoofdstuk IV. Het bedrieglijk onvermogen in het Strafwetboek . (p. 421)

Deelbesluit (p. 533)

Deel III. Opsporen van het bedrieglijk onvermogen

Hoofdstuk I. Het recht op informatie van de schuldeiser afgewogen tegenover de rechten van de schuldenaar (p. 541)

Hoofdstuk II. Onrechtstreekse informatie-inwinning via de raadpleging van registers (p. 569)

Hoofdstuk III. Rechtstreekse informatie-inwinning bij de schuldenaar of een derde (p. 651)

Hoofdstuk IV. De Raad van Europa en de Europese Unie (p. 709)

Hoofdstuk V. Gemeenschappelijke beginselen en voorstellen tot verbetering (p. 739)

Deelbesluit (p. 765)

Algemeen besluit (p. 775)

Bibliografie (p. 791)

Trefwoordenregister (p. 825)